Liesje van den Lompenmolen.

Tweede druk.
Te Sneek. Bij J. F. van Druten.
1886.

[10]

Eerste Hoofdstuk.

In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijnouderwetsche meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.

In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood vanden korten winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen achtergrond van het venster. Zij heeft de smallehanden gevouwen, en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.

“Mama,” zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoelbij den haard zit te breien. “Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk lang in grootmama’s kamer; wij zullen er wel wederniet toe komen, naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft slechts acht dagen verlof, en daarvanzijn er reeds vier om. Vandaag had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;—wat moet Liesje wel denken, dat hij daar nog in’t geheel niet geweest is?”

Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijkgelaat.

“Heb geduld, Nelly!” antwoordde de moeder, en liefkoosde [11]de bloeiende wangen der dochter. “Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet Army blijven, zoolang zij het wil; grootmamazal hem veel te zeggen hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven zooveel behoefte.—Steek de lampaan! Gij weet, er is nog veel aan Army’s linnengoed te doen.”

Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichttede lamp het vertrek, ’t welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheidkenmerkte.

Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, datduidelijke sporen droeg van veel kommer en lijden.

Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; wantin de gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop werd de deur geopend;—een bevallig, jong officiertrad binnen; zijn negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.

“Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den molen gaan,” zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende,de armen om zijn hals; “ik haal schielijk mijn kap en mantel, want lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt ’savonds vroeg gegeten,” en verheugd wilde zij zich heen spoeden.

“Nelly!” riep de jonge man en hield haar terug; “laat dat nu blijven! Dat—voegt niet meer,” liet hij er eenigszins verlegenop volgen.

“Voegt dat niet meer?” Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.

“Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met wien men wil, juist omdat men een kind is; als officierkan dat echter niet meer.”[12]

“Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd zoo graag mede.”

“Kom, Army!” sprak de barones, “dat

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!